10K+ studenten - 4.8/5

Leer met een leraar Inclusief leermaterialen Oefen conversatie

Onvoltooid tegenwoordige tijd: regelmatige werkwoorden

De tegenwoordige tijd met regelmatige werkwoorden wordt gebruikt om te spreken over handelingen die nu plaatsvinden.

Grammatica: Onvoltooid tegenwoordige tijd: regelmatige werkwoorden

A1 Nederlands Aanwezig

Niveau: A1

Module 1: Jezelf voorstellen (Jezelf voorstellen)

Les 8: Adres en contactgegevens. (Adres en contactgegevens.)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 15 minuten

Audio en video

  1. De onvoltooid tegenwoordige tijd vormt werkwoorden de juiste uitgang toe te voegen aan de stam.
  2. De stam vind je door -en van het werkwoord te verwijderen.
PersoonAlgemene uitgangVoorbeelden: werken, maken, antwoorden, blijven, reizen
Ik-werk, maak, antwoord, blijf, reis
Jij-twerkt, maakt, antwoordt, blijft, reist
Hij/Zij-twerkt, maakt, antwoordt, blijf, reist
Wij-enwerken, maken, antwoorden, blijven, reizen
Jullie-enwerken, maken, antwoorden, blijven, reizen
Zij-enwerken, maken, antwoorden, blijven, reizen

Uitzonderingen!

  1. Bij "ik" gebruik je alleen de stam zonder extra uitgang.
  2. "Antwoorden:" Als de stam op een -d eindigt, dan krijg je bij de tweede en derde persoon enkelvoud -dt.
  3. "Maken:" Heeft het werkwoord één klinker en één medeklinker voor -en, dan verdubbelt de klinker in de eerste, tweede en derde persoon enkelvoud.
  4. "Blijven:"Heeft het werkwoord een -v voor -en, dan wordt in de stam de -v een -f. Aan het eind van een woord staat nooit een -v.
  5. "Reizen:"Heeft het werkwoord een -z voor -en, dan wordt in de stam de -z een -s. Aan het eind van een woord staat nooit een -z.

Oefening 1: Onvoltooid tegenwoordige tijd: regelmatige werkwoorden

Instructie: Vul het juiste woord in.

Toon vertaling Toon antwoorden

antwoordt, brengt, werken, loopt, blijf, drinken, werk, wacht

1. Werken:
Wij ... samen aan een project.
(Wij werken samen aan een project.)
2. Antwoorden:
Hij ... op mijn bericht.
(Hij antwoordt op mijn bericht.)
3. Drinken:
Zij ... graag koffie in de ochtend.
(Zij drinken graag koffie in de ochtend.)
4. Blijven:
Ik... bij jou.
(Ikblijf bij jou.)
5. Wachten:
De leraar ... op de studenten.
(De leraar wacht op de studenten.)
6. Lopen:
Het kind ... naar school.
(Het kind loopt naar school.)
7. Werken:
Ik ... in een restaurant.
(Ik werk in een restaurant.)
8. Brengen:
Mijn vriend ... een cadeau mee.
(Mijn vriend brengt een cadeau mee.)

Oefening 2: Vertaal en gebruik in een zin

Instructie: Kies een woord, vertaal het en gebruik het woord in een zin of dialoog.

1

kijkt


kijkt

2

zoekt


zoekt

3

blijf


blijf

4

maakt


maakt