10K+ studenten - 4.8/5

Leer met een leraar Inclusief leermaterialen Oefen conversatie

Nederlands A1.17: Koken - herhalingsoefeningen

Deze oefeningen kunnen samen met de docent worden gedaan om de les te beginnen.

Terug naar les

Deze oefeningen herhalen de laatste 5 lessen en kunnen aan het begin van de les of als huiswerk worden gedaan ter voorbereiding van de les.

Oefening 1: Grammatica-herhalingsoefening (laatste 5 lessen)

Instructie: Vul het juiste woord in.

Toon vertaling Toon antwoorden

tussen, gaan, Het sneeuwt, zesentwintigste, Het waait

1. Waaien:
... hard langs de kust.
(Het waait hard langs de kust.)
2.
De winkel is gesloten ... twaalf en één uur.
(De winkel is gesloten tussen twaalf en één uur.)
3. 26:
De hoeveelste is het vandaag? Het is de ....
(De hoeveelste is het vandaag? Het is de zesentwintigste.)
4. Sneeuwen:
... in de bergen in de winter.
(Het sneeuwt in de bergen in de winter.)
5.
Volgend jaar ... we samen reizen.
(Volgend jaar gaan we samen reizen.)

Oefening 2: Vertaal en gebruik in een zin

Instructie: Kies een woord, vertaal het en gebruik het woord in een zin of dialoog.

1

Veranderen


Veranderen

2

Maart


Maart

3

Kerstmis


Kerstmis

4

De sla


De sla

5

Aankomen


Aankomen

Oefening 3: Werkwoordsvervoeging

Instructie: Kies het juiste werkwoord en de juiste tijd.

Toon vertaling Toon antwoorden

komen aan, vertrekken, gaat, gaan

1.
Wij ... in de zomer naar het strand.
(Wij gaan in de zomer naar het strand.)
2.
Jullie ... voor de middag.
(Jullie komen aan voor de middag.)
3.
Jij ... vaak in de lente wandelen.
(Jij gaat vaak in de lente wandelen.)
4.
Zij ... om middernacht.
(Zij vertrekken om middernacht.)
5.
Wij ... om half drie.
(Wij komen aan om half drie.)

Oefening 4: Vertaal en maak zinnen

Instructie: Vertaal de woorden en zinnen hieronder.

1. Het is vijf voor vier, bijna tijd om te vertrekken.
Het is vijf voor vier, bijna tijd om te vertrekken.
2. 's Zomers is het weer warm en zonnig.
's Zomers is het weer warm en zonnig.
3. Ik eet een ei bij het ontbijt.
Ik eet een ei bij het ontbijt.
4. Morgen bekijken wij de agenda om 10 uur.
Morgen bekijken wij de agenda om 10 uur.
5. De week begint op maandag.
De week begint op maandag.