10K+ studenten - 4.8/5

Leer met een leraar Inclusief leermaterialen Oefen conversatie

Nederlands A1.6: Je leeftijd zeggen - herhalingsoefeningen

Deze oefeningen kunnen samen met de docent worden gedaan om de les te beginnen.

Terug naar les

Deze oefeningen herhalen de laatste 5 lessen en kunnen aan het begin van de les of als huiswerk worden gedaan ter voorbereiding van de les.

Oefening 1: Grammatica-herhalingsoefening (laatste 5 lessen)

Instructie: Vul het juiste woord in.

Toon vertaling Toon antwoorden

driehonderd, programma’s, het, negentig

1.
Ik bestel ... menu van de dag.
(Ik bestel het menu van de dag.)
2. 90:
Mijn oma werd ... jaar oud.
(Mijn oma werd negentig jaar oud.)
3.
Zij heeft ... kleine huisje gekocht.
(Zij heeft het kleine huisje gekocht.)
4. 300:
Het huis kost ... duizend euro.
(Het huis kost driehonderd duizend euro.)
5. Programma:
De ... op tv zijn interessant.
(De programma’s op tv zijn interessant.)

Oefening 2: Vertaal en gebruik in een zin

Instructie: Kies een woord, vertaal het en gebruik het woord in een zin of dialoog.

1

Waar kom je vandaan?


Waar kom je vandaan?

2

De nationaliteit


De nationaliteit

3

Tien


Tien

4

Tot ziens


Tot ziens

5

Tot morgen


Tot morgen

Oefening 3: Werkwoordsvervoeging

Instructie: Kies het juiste werkwoord en de juiste tijd.

Toon vertaling Toon antwoorden

praten, is, hebben, zeg, wonen

1.
Zij ... in frankrijk en spreken de taal goed.
(Zij wonen in frankrijk en spreken de taal goed.)
2.
Jullie ... een gezellige avond gewenst!
(Jullie hebben een gezellige avond gewenst!)
3.
Ik ... mijn naam is anna.
(Ik zeg mijn naam is anna.)
4.
Jullie ... over de opa.
(Jullie praten over de opa.)
5.
Hij ... hier voor een goed gesprek, hallo!
(Hij is hier voor een goed gesprek, hallo!)

Oefening 4: Vertaal en maak zinnen

Instructie: Vertaal de woorden en zinnen hieronder.

1. Hallo, wat is jouw voornaam?
Hallo, wat is jouw voornaam?
2. Jij hebt een lieve zus.
Jij hebt een lieve zus.
3. Waar kom je vandaan? Spanje.
Waar kom je vandaan? Spanje.
4. Wij tellen honderd appels in de boomgaard vandaag.
Wij tellen honderd appels in de boomgaard vandaag.
5. Ik kan tot negen tellen, en daarna komt tien.
Ik kan tot negen tellen, en daarna komt tien.