10K+ studenten - 4.8/5

Leer met een leraar Inclusief leermaterialen Oefen conversatie

Wil je eindelijk Nederlands spreken? Boek een les met een van onze docenten!

Schrijf je nu in!

Woordenschat (12)

 Bevallen (bevallen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Jullie bevallen van de mooie bloem.

Show

Jullie bevallen van de mooie bloem. Show

Bevallen

Show

Bevallen Show

 De kleur: De kleur (Nederlands)

De kleur van de bril is mooi bruin.

Show

De kleur van de bril is mooi bruin. Show

De kleur

Show

De kleur Show

 Rood: Rood (Nederlands)

De trui is rood en groot.

Show

De trui is rood en groot. Show

Rood

Show

Rood Show

 Wit: Wit (Nederlands)

De bril is wit en mooi.

Show

De bril is wit en mooi. Show

 Zwart: Zwart (Nederlands)

De jas is zwart en mooi.

Show

De jas is zwart en mooi. Show

Zwart

Show

Zwart Show

 Grijs: Grijs (Nederlands)

De kat is grijs.

Show

De kat is grijs. Show

Grijs

Show

Grijs Show

 Blauw: Blauw (Nederlands)

De trui is blauw.

Show

De trui is blauw. Show

Blauw

Show

Blauw Show

 Geel: Geel (Nederlands)

Ik zie een geel overhemd.

Show

Ik zie een geel overhemd. Show

Geel

Show

Geel Show

 Groen: Groen (Nederlands)

De appel is groen en groot.

Show

De appel is groen en groot. Show

Groen

Show

Groen Show

 Paars: Paars (Nederlands)

De trui is mooi paars.

Show

De trui is mooi paars. Show

Paars

Show

Paars Show

 Roze: Roze (Nederlands)

De bloemen zijn roze.

Show

De bloemen zijn roze. Show

Roze

Show

Roze Show

 Oranje: Oranje (Nederlands)

De sinaasappel is oranje.

Show

De sinaasappel is oranje. Show

Oranje

Show

Oranje Show

Gespreksoefening

  1. Beschrijf de kleuren van de kleding. (Beschrijf de kleuren van de kleding.)
  2. Beschrijf de haarkleur van elke persoon. (Beschrijf de haarkleur van elke persoon.)
  3. Beschrijf de kleur van de kleren en het haar van de persoon naast je. (Beschrijf de kleur van de kleding en het haar van de persoon naast je.)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

De schoenen van de vrouw op de eerste foto zijn wit.

De schoenen van de vrouw op de eerste foto zijn wit.

Zij heeft bruin haar.

Zij heeft bruin haar.

Een vrouw op de tweede foto draagt gele kleding.

Een vrouw op de tweede foto draagt gele kleding.

Zij heeft blond haar.

Zij heeft blond haar.

Alice heeft blond haar en ze draagt een groene trui en een blauwe broek.

Alice heeft blond haar en ze draagt een groene trui en een blauwe broek.

Alice draagt zwarte laarzen.

Alice draagt zwarte laarzen.

...

Oefeningen

Deze oefeningen kunnen tijdens conversatielessen samen gedaan worden of als huiswerk.

Oefening 1: Vertaal en gebruik in een zin

Instructie: Kies een woord, vertaal het en gebruik het woord in een zin of dialoog.

1

Wit


Wit

2

De kleur


De kleur

3

Blauw


Blauw

4

Rood


Rood

5

Paars


Paars

Aanvullend leermateriaal

Bijlage 1: Uitgebreide vocabulaire tabel

Kernwoordenschat (12): Werkwoorden: 1, Bijvoeglijke naamwoorden: 10, Zelfstandige naamwoorden: 1,

Nederlands Nederlands
Bevallen Bevallen
Blauw Blauw
De kleur De kleur
Geel Geel
Grijs Grijs
Groen Groen
Oranje Oranje
Paars Paars
Rood Rood
Roze Roze
Wit Wit
Zwart Zwart

Zie je geen vooruitgang als je alleen studeert? Bestudeer dit materiaal met een gecertificeerde docent!

Wil je vandaag Nederlands oefenen? Dat kan! Neem vandaag nog contact op met een van onze docenten.

Schrijf je nu in!

Deze lessen zouden niet mogelijk zijn zonder onze geweldige partners🙏