10K+ studenten - 4.8/5

Leer met een leraar Inclusief leermaterialen Oefen conversatie

Wil je eindelijk Nederlands spreken? Boek een les met een van onze docenten!

Schrijf je nu in!

Nederlands A1.12: Seizoenen, maanden en delen van het jaar

Seizoenen, maanden en delen van het jaar

Woordenschat (21)

 De herfst: De herfst (Nederlands)

De herfst is fris en regenachtig.

Show

De herfst is fris en regenachtig. Show

De herfst

Show

De herfst Show

 De lente: De lente (Nederlands)

De zon schijnt vaak in de lente.

Show

De zon schijnt vaak in de lente. Show

De lente

Show

De lente Show

 De maand: De maand (Nederlands)

's Morgens is de maand februari koud.

Show

's Morgens is de maand februari koud. Show

De maand

Show

De maand Show

 Het seizoen: Het seizoen (Nederlands)

's Zomers is het weer warm en zonnig.

Show

's Zomers is het weer warm en zonnig. Show

Het seizoen

Show

Het seizoen Show

 De winter: De winter (Nederlands)

De winter is koud en de sneeuw valt.

Show

De winter is koud en de sneeuw valt. Show

De winter

Show

De winter Show

 De zomer: De zomer (Nederlands)

In de zomer is het vaak zonnig.

Show

In de zomer is het vaak zonnig. Show

De zomer

Show

De zomer Show

 Januari: Januari (Nederlands)

In januari is het weer vaak koud.

Show

In januari is het weer vaak koud. Show

Januari

Show

Januari Show

 Februari: Februari (Nederlands)

In februari is het vaak koud en sneeuwt het.

Show

In februari is het vaak koud en sneeuwt het. Show

Februari

Show

Februari Show

 Maart: Maart (Nederlands)

In maart is het vaak koud en regenachtig.

Show

In maart is het vaak koud en regenachtig. Show

Maart

Show

Maart Show

 April: April (Nederlands)

April is de vierde maand.

Show

April is de vierde maand. Show

April

Show

April Show

 Mei: Mei (Nederlands)

Mei is zonnig en warm in Nederland.

Show

Mei is zonnig en warm in Nederland. Show

 Juni: Juni (Nederlands)

In juni is het vaak zonnig en warm.

Show

In juni is het vaak zonnig en warm. Show

Juni

Show

Juni Show

 Juli: Juli (Nederlands)

Juli is vaak warm en zonnig.

Show

Juli is vaak warm en zonnig. Show

Juli

Show

Juli Show

 Augustus: Augustus (Nederlands)

In augustus is het vaak zonnig en warm.

Show

In augustus is het vaak zonnig en warm. Show

Augustus

Show

Augustus Show

 September: September (Nederlands)

In september is het vaak zonnig en fris.

Show

In september is het vaak zonnig en fris. Show

September

Show

September Show

 Oktober: Oktober (Nederlands)

In oktober is het weer vaak fris.

Show

In oktober is het weer vaak fris. Show

Oktober

Show

Oktober Show

 November: November (Nederlands)

November is koud en het seizoen is de herfst.

Show

November is koud en het seizoen is de herfst. Show

November

Show

November Show

 December: December (Nederlands)

In december is het vaak koud en mistig.

Show

In december is het vaak koud en mistig. Show

December

Show

December Show

 Veranderen (veranderen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Wij veranderen de stad.

Show

Wij veranderen de stad. Show

Veranderen

Show

Veranderen Show

 Verkiezen (verkiezen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Ik verkies morgen.

Show

Ik verkies morgen. Show

Verkiezen

Show

Verkiezen Show

 Gaan (gaan) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Hij gaat morgen naar de markt.

Show

Hij gaat morgen naar de markt. Show

Gaan

Show

Gaan Show

Grammatica

We geven toe dat het niet het meest opwindende is, maar het is absoluut essentieel (en we beloven dat het zich zal terugbetalen)!

Gespreksoefening

  1. Noem de namen van elk seizoen. (Noem de namen van elk seizoen.)
  2. Welk weer is het in elk seizoen? (Welk weer is het in elk seizoen?)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

In de zomer zijn er drie maanden: juni, juli en augustus.

In de zomer zijn er drie maanden: juni, juli en augustus.

In de zomer is het heet.

In de zomer is het heet.

September, oktober en november zijn in de herfst en er is regen.

September, oktober en november zijn in de herfst en er is regen.

December, januari en februari zijn de wintermaanden.

December, januari en februari zijn de wintermaanden.

In de wintermaanden sneeuwt het soms.

In de wintermaanden sneeuwt het soms.

Maart, april en mei zijn de lentemaanden en het weer is fris.

Maart, april en mei zijn de lentemaanden en het weer is fris.

...

Oefeningen

Deze oefeningen kunnen tijdens conversatielessen samen gedaan worden of als huiswerk.

Oefening 1: Zinnen herschikken

Instructie: Maak correcte zinnen en vertaal.

Toon antwoorden Toon vertaling
1.
koud. | is de | maand februari | s Morgens
's Morgens is de maand februari koud.
('s Morgens is de maand februari koud.)
2.
ga | in | spanje. | Ik | juni | naar
Ik ga in juni naar spanje.
(Ik ga in juni naar spanje.)
3.
Nederland. | warm in | zonnig en | Mei is
Mei is zonnig en warm in Nederland.
(Mei is zonnig en warm in Nederland.)
4.
is het | weer warm | en zonnig. | s Zomers
's Zomers is het weer warm en zonnig.
('s Zomers is het weer warm en zonnig.)
5.
en warm. | vaak zonnig | In augustus | is het
In augustus is het vaak zonnig en warm.
(In augustus is het vaak zonnig en warm.)
6.
zonnig. | In de | het vaak | zomer is
In de zomer is het vaak zonnig.
(In de zomer is het vaak zonnig.)
7.
zonnig. | vaak | is | Juli | en | warm
Juli is vaak warm en zonnig.
(Juli is vaak warm en zonnig.)

Oefening 2: Vertaal en gebruik in een zin

Instructie: Kies een woord, vertaal het en gebruik het woord in een zin of dialoog.

1

April


April

2

Veranderen


Veranderen

3

Maart


Maart

4

Verkiezen


Verkiezen

5

Februari


Februari

Oefening 3: Werkwoordsvervoeging

Instructie: Kies de juiste vorm.

Toon vertaling Toon antwoorden

ga, gaan, gaat

1.
Jij ... vaak in de lente wandelen.
(Jij gaat vaak in de lente wandelen.)
2.
Ik ... in juni naar spanje.
(Ik ga in juni naar spanje.)
3.
Zij ... in de herfst naar het bos.
(Zij gaan in de herfst naar het bos.)
4.
Jullie ... altijd in december naar zweden.
(Jullie gaan altijd in december naar zweden.)
5.
Wij ... in de zomer naar het strand.
(Wij gaan in de zomer naar het strand.)
6.
Hij ... morgen naar de markt.
(Hij gaat morgen naar de markt.)

Oefening 4: Toekomende tijd met 'gaan'

Instructie: Vul het juiste woord in.

Toon vertaling Toon antwoorden

gaat, Ga, gaan, ga

1.
In september ... ik in Spanje studeren.
(In september ga ik in Spanje studeren.)
2.
Wij ... een nieuwe fiets kopen.
(Wij gaan een nieuwe fiets kopen.)
3.
... jij na de zomer verhuizen?
(Ga jij na de zomer verhuizen?)
4.
Ik ... je helpen met je huiswerk.
(Ik ga je helpen met je huiswerk.)
5.
Volgend jaar ... we samen reizen.
(Volgend jaar gaan we samen reizen.)
6.
Morgen ... hij zwemmen in de zee.
(Morgen gaat hij zwemmen in de zee.)

Aanvullend leermateriaal

Bijlage 1: Uitgebreide vocabulaire tabel

Kernwoordenschat (21): Werkwoorden: 3, Zelfstandige naamwoorden: 18,
Contextwoordenschat: 2

Nederlands Nederlands
April April
Augustus Augustus
De herfst De herfst
De lente De lente
De maand De maand
De winter De winter
De zomer De zomer
December December
Februari Februari
Ga Ga
Gaan Gaan
Gaat Gaat
Het seizoen Het seizoen
Januari Januari
Juli Juli
Juni Juni
Maart Maart
Mei Mei
November November
Oktober Oktober
September September
Veranderen Veranderen
Verkiezen Verkiezen

Bijlage 2: Werkwoordsvervoegingstabellen voor deze les

Gaan gaan

Onvoltooid tegenwoordige tijd (OTT)

Nederlands Nederlands
ik ga ik ga
jij gaat jij gaat
hij/zij/het gaat hij/zij/het gaat
wij gaan wij gaan
jullie gaan jullie gaan
zij gaan zij gaan

Oefeningen en voorbeeldzinnen

Zie je geen vooruitgang als je alleen studeert? Bestudeer dit materiaal met een gecertificeerde docent!

Wil je vandaag Nederlands oefenen? Dat kan! Neem vandaag nog contact op met een van onze docenten.

Schrijf je nu in!

Deze lessen zouden niet mogelijk zijn zonder onze geweldige partners🙏