10K+ studenten - 4.8/5

Leer met een leraar Inclusief leermaterialen Oefen conversatie

Wil je eindelijk Nederlands spreken? Boek een les met een van onze docenten!

Schrijf je nu in!

Woordenschat (19)

 Dragen (dragen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Zij dragen de eieren naar de markt.

Show

Zij dragen de eieren naar de markt. Show

Dragen

Show

Dragen Show

 De kleding: De kleding (Nederlands)

Waar is de kleding voor de sale?

Show

Waar is de kleding voor de sale? Show

De kleding

Show

De kleding Show

 De maat: De maat (Nederlands)

De handschoenen zijn in de maat.

Show

De handschoenen zijn in de maat. Show

De maat

Show

De maat Show

 De muts: De muts (Nederlands)

De muts is erg goedkoop in de winkel.

Show

De muts is erg goedkoop in de winkel. Show

De muts

Show

De muts Show

 De handschoenen: De handschoenen (Nederlands)

Heb jij de handschoen nodig voor de winter?

Show

Heb jij de handschoen nodig voor de winter? Show

De handschoenen

Show

De handschoenen Show

 Passen (passen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Wij passen de prijzen in de supermarkt.

Show

Wij passen de prijzen in de supermarkt. Show

Passen

Show

Passen Show

 De broek: De broek (Nederlands)

Hoeveel kost deze broek in de winkel?

Show

Hoeveel kost deze broek in de winkel? Show

De broek

Show

De broek Show

 De spijkerbroek: De spijkerbroek (Nederlands)

Koop je de spijkerbroek vandaag in de winkel?

Show

Koop je de spijkerbroek vandaag in de winkel? Show

De spijkerbroek

Show

De spijkerbroek Show

 Het T-shirt: Het T-shirt (Nederlands)

Ik vraag de cassière naar het T-shirt.

Show

Ik vraag de cassière naar het T-shirt. Show

Het T-shirt

Show

Het t-shirt Show

 De trui: De trui (Nederlands)

Ik koop de trui in de winkel.

Show

Ik koop de trui in de winkel. Show

De trui

Show

De trui Show

 De bloes: De bloes (Nederlands)

Vraag aan de cassière of de bloes er is.

Show

Vraag aan de cassière of de bloes er is. Show

De bloes

Show

De bloes Show

 Het overhemd: Het overhemd (Nederlands)

Heb jij het overhemd in mijn maat?

Show

Heb jij het overhemd in mijn maat? Show

Het overhemd

Show

Het overhemd Show

 De rok: De rok (Nederlands)

Waar is de rok in mijn maat?

Show

Waar is de rok in mijn maat? Show

De rok

Show

De rok Show

 De jurk: De jurk (Nederlands)

De jurk kost twintig euro in de winkel.

Show

De jurk kost twintig euro in de winkel. Show

De jurk

Show

De jurk Show

 De jas: De jas (Nederlands)

De jas kost twintig euro in de winkel.

Show

De jas kost twintig euro in de winkel. Show

De jas

Show

De jas Show

 De schoenen: De schoenen (Nederlands)

Heeft u de schoen in maat 40?

Show

Heeft u de schoen in maat 40? Show

De schoenen

Show

De schoenen Show

 Het pak: Het pak (Nederlands)

Waar is het pak te koop in de winkel?

Show

Waar is het pak te koop in de winkel? Show

Het pak

Show

Het pak Show

 De laarzen: De laarzen (Nederlands)

Dragen zij de laars in de regen?

Show

Dragen zij de laars in de regen? Show

De laarzen

Show

De laarzen Show

 De riem: De riem (Nederlands)

Hoeveel kost de riem in deze winkel?

Show

Hoeveel kost de riem in deze winkel? Show

De riem

Show

De riem Show

Gespreksoefening

  1. Zeg wie wat draagt. (Zeg wie wat draagt.)
  2. Welke andere kledingstukken ken je? (Welke andere kledingstukken ken je?)
  3. Beschrijf de kleding van de persoon naast je. (Beschrijf de kleding van de persoon naast je.)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

Hij draagt handschoenen.

Hij draagt handschoenen.

Zij draagt een riem.

Zij draagt een riem.

Een ander kledingstuk dat ik ken is 'jurk'.

Een ander kledingstuk dat ik ken is 'jurk'.

Petra draagt een broek en een trui.

Petra draagt een broek en een trui.

Zij draagt laarzen.

Zij draagt laarzen.

Mijn moeder draagt een bril.

Mijn moeder draagt een bril.

Wat draag je vandaag?

Wat draag je vandaag?

...

Oefeningen

Deze oefeningen kunnen tijdens conversatielessen samen gedaan worden of als huiswerk.

Oefening 1: Vertaal en gebruik in een zin

Instructie: Kies een woord, vertaal het en gebruik het woord in een zin of dialoog.

1

De broek


De broek

2

De handschoenen


De handschoenen

3

Het pak


Het pak

4

De kleding


De kleding

5

De jas


De jas

Aanvullend leermateriaal

Bijlage 1: Uitgebreide vocabulaire tabel

Kernwoordenschat (19): Werkwoorden: 2, Zelfstandige naamwoorden: 17,

Nederlands Nederlands
De bloes De bloes
De broek De broek
De handschoenen De handschoenen
De jas De jas
De jurk De jurk
De kleding De kleding
De laarzen De laarzen
De maat De maat
De muts De muts
De riem De riem
De rok De rok
De schoenen De schoenen
De spijkerbroek De spijkerbroek
De trui De trui
Dragen Dragen
Het T-shirt Het T-shirt
Het overhemd Het overhemd
Het pak Het pak
Passen Passen

Zie je geen vooruitgang als je alleen studeert? Bestudeer dit materiaal met een gecertificeerde docent!

Wil je vandaag Nederlands oefenen? Dat kan! Neem vandaag nog contact op met een van onze docenten.

Schrijf je nu in!

Deze lessen zouden niet mogelijk zijn zonder onze geweldige partners🙏