10K+ studenten - 4.8/5

Leer met een leraar Inclusief leermaterialen Oefen conversatie

Wil je eindelijk Nederlands spreken? Boek een les met een van onze docenten!

Schrijf je nu in!

Nederlands A1.9: Dagen van de week en dagdelen

Dagen van de week en delen van de dag

Woordenschat (20)

 Maandag: Maandag (Nederlands)

Wij wonen in Nederland en maandag is mijn favoriete dag.

Show

Wij wonen in Nederland en maandag is mijn favoriete dag. Show

Maandag

Show

Maandag Show

 Dinsdag: Dinsdag (Nederlands)

Zij gaat dinsdag naar de stad.

Show

Zij gaat dinsdag naar de stad. Show

Dinsdag

Show

Dinsdag Show

 Woensdag: Woensdag (Nederlands)

Vandaag is het woensdag, we gaan naar school.

Show

Vandaag is het woensdag, we gaan naar school. Show

Woensdag

Show

Woensdag Show

 Donderdag: Donderdag (Nederlands)

Donderdag is mijn favoriete dag.

Show

Donderdag is mijn favoriete dag. Show

Donderdag

Show

Donderdag Show

 Vrijdag: Vrijdag (Nederlands)

Vrijdag is een leuke dag.

Show

Vrijdag is een leuke dag. Show

Vrijdag

Show

Vrijdag Show

 Zaterdag: Zaterdag (Nederlands)

's Zaterdags vier ik een feestje.

Show

's Zaterdags vier ik een feestje. Show

Zaterdag

Show

Zaterdag Show

 Zondag: Zondag (Nederlands)

Morgen is het zondag, ik vier een feest.

Show

Morgen is het zondag, ik vier een feest. Show

Zondag

Show

Zondag Show

 De dag: De dag (Nederlands)

De dag begint met een goede ochtend.

Show

De dag begint met een goede ochtend. Show

De dag

Show

De dag Show

 De ochtend: De ochtend (Nederlands)

De ochtend begint met een mooi ritueel.

Show

De ochtend begint met een mooi ritueel. Show

De ochtend

Show

De ochtend Show

 De middag: De middag (Nederlands)

Wij drinken thee in de middag.

Show

Wij drinken thee in de middag. Show

De middag

Show

De middag Show

 De avond: De avond (Nederlands)

Wij wandelen graag in de avond.

Show

Wij wandelen graag in de avond. Show

De avond

Show

De avond Show

 De nacht: De nacht (Nederlands)

De nacht is donker en stil vandaag.

Show

De nacht is donker en stil vandaag. Show

De nacht

Show

De nacht Show

 Vandaag: Vandaag (Nederlands)

Vandaag is het een mooie dag om te studeren.

Show

Vandaag is het een mooie dag om te studeren. Show

Vandaag

Show

Vandaag Show

 Morgen: Morgen (Nederlands)

Morgen is het dinsdag en wij gaan naar de stad.

Show

Morgen is het dinsdag en wij gaan naar de stad. Show

Morgen

Show

Morgen Show

 Gisteren: Gisteren (Nederlands)

Gisteren was het maandag en de ochtend begon zonnig.

Show

Gisteren was het maandag en de ochtend begon zonnig. Show

Gisteren

Show

Gisteren Show

 's Morgens: 's Morgens (Nederlands)

Wij ontbijten 's morgens samen op maandag.

Show

Wij ontbijten 's morgens samen op maandag. Show

's Morgens

Show

's morgens Show

 's Middags: 's Middags (Nederlands)

Wij eten samen 's middags op maandag en vrijdag.

Show

Wij eten samen 's middags op maandag en vrijdag. Show

's Middags

Show

's middags Show

 's Avonds: 's Avonds (Nederlands)

Wij eten om zes uur 's avonds met de familie.

Show

Wij eten om zes uur 's avonds met de familie. Show

's Avonds

Show

's avonds Show

 's Nachts: 's Nachts (Nederlands)

Wij gaan 's nachts naar bed na een lange dag werken.

Show

Wij gaan 's nachts naar bed na een lange dag werken. Show

's Nachts

Show

's nachts Show

 Maken (maken) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Zij maakt een mooie tekening.

Show

Zij maakt een mooie tekening. Show

Maken

Show

Maken Show

Grammatica

We geven toe dat het niet het meest opwindende is, maar het is absoluut essentieel (en we beloven dat het zich zal terugbetalen)!

Gespreksoefening

  1. Noem de dag en beschrijf de tijden van de dag op de afbeelding. Gebruik de voorzetsels om de tijden aan te geven. (Noem de dag en beschrijf de dagdelen in de afbeelding. Gebruik de voorzetsels om de tijden aan te geven.)
  2. Beschrijf wat mensen op deze momenten doen. (Beschrijf wat mensen op deze momenten doen.)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

Het is woensdagochtend.

Het is woensdagochtend.

Het is zaterdagavond.

Het is zaterdagavond.

Het is dinsdagmiddag.

Het is dinsdagmiddag.

Op donderdag studeert Maria 's ochtends.

Op donderdag studeert Maria 's ochtends.

Op zaterdag maakt hij 's middags een taart.

Op zaterdag maakt hij 's middags een taart.

Op vrijdag vieren de vrienden 's avonds.

Op vrijdag vieren de vrienden 's avonds.

...

Oefeningen

Deze oefeningen kunnen tijdens conversatielessen samen gedaan worden of als huiswerk.

Oefening 1: Zinnen herschikken

Instructie: Maak correcte zinnen en vertaal.

Toon antwoorden Toon vertaling
1.
de | Wij | thee | in | middag. | drinken
Wij drinken thee in de middag.
(Wij drinken thee in de middag.)
2.
graag | in | de | avond. | Wij | wandelen
Wij wandelen graag in de avond.
(Wij wandelen graag in de avond.)
3.
werken. | Wij gaan | lange dag | naar bed | na een | s nachts
Wij gaan 's nachts naar bed na een lange dag werken.
(Wij gaan 's nachts naar bed na een lange dag werken.)
4.
een | ik | s | Zaterdags | feestje. | vier
's Zaterdags vier ik een feestje.
('s Zaterdags vier ik een feestje.)
5.
samen op | maandag. | Wij ontbijten | s morgens
Wij ontbijten 's morgens samen op maandag.
(Wij ontbijten 's morgens samen op maandag.)
6.
we gaan | Vandaag is | naar school. | het woensdag,
Vandaag is het woensdag, we gaan naar school.
(Vandaag is het woensdag, we gaan naar school.)
7.
de | gaat | dinsdag | stad. | Zij | naar
Zij gaat dinsdag naar de stad.
(Zij gaat dinsdag naar de stad.)

Oefening 2: Vertaal en gebruik in een zin

Instructie: Kies een woord, vertaal het en gebruik het woord in een zin of dialoog.

1

Zondag


Zondag

2

Zaterdag


Zaterdag

3

's Avonds


's Avonds

4

Maandag


Maandag

5

's Middags


's Middags

Oefening 3: Werkwoordsvervoeging

Instructie: Kies het juiste werkwoord en de juiste tijd.

Toon vertaling Toon antwoorden

begin, beginnen, eet, maken, eten

1.
Wij ... vaak pizza op vrijdag.
(Wij eten vaak pizza op vrijdag.)
2.
Jullie ... vis op zaterdagochtend.
(Jullie eten vis op zaterdagochtend.)
3.
Zij ... nieuwe vrienden op school.
(Zij maken nieuwe vrienden op school.)
4.
Ik ... maandag met werken.
(Ik begin maandag met werken.)
5.
Zij ... soep op zondagmiddag.
(Zij eten soep op zondagmiddag.)
6.
Wij ... zondag met studeren.
(Wij beginnen zondag met studeren.)
7.
Jij ... 's avonds een appel.
(Jij eet 's avonds een appel.)
8.
Ik ... brood op woensdagmiddag.
(Ik eet brood op woensdagmiddag.)

Oefening 4: Voorzetsels van tijd

Instructie: Vul het juiste woord in.

Toon vertaling Toon antwoorden

om, sinds, tussen, na, over, tot, tijdens, vanaf

1.
De winkel is gesloten ... twaalf en één uur.
(De winkel is gesloten tussen twaalf en één uur.)
2.
De vergadering begint ... negen uur.
(De vergadering begint om negen uur.)
3.
Het feest duurt ... middernacht.
(Het feest duurt tot middernacht.)
4.
Zij heeft daar gewoond ... haar jeugd.
(Zij heeft daar gewoond tijdens haar jeugd.)
5.
Wij wonen hier ... 2010.
(Wij wonen hier sinds 2010.)
6.
Wij gaan ... een week op vakantie.
(Wij gaan over een week op vakantie.)
7.
Hij komt pas ... het werk thuis.
(Hij komt pas na het werk thuis.)
8.
De winkel is open ... 9 uur.
(De winkel is open vanaf 9 uur.)

Aanvullend leermateriaal

Bijlage 1: Uitgebreide vocabulaire tabel

Kernwoordenschat (20): Werkwoorden: 1, Bijwoorden: 7, Zelfstandige naamwoorden: 12,
Contextwoordenschat: 8

Nederlands Nederlands
's Avonds 's Avonds
's Middags 's Middags
's Morgens 's Morgens
's Nachts 's Nachts
De avond De avond
De dag De dag
De middag De middag
De nacht De nacht
De ochtend De ochtend
Dinsdag Dinsdag
Donderdag Donderdag
Gisteren Gisteren
Maandag Maandag
Maken Maken
Morgen Morgen
Na Na
Om Om
Over Over
Sinds Sinds
Tijdens Tijdens
Tot Tot
Tussen Tussen
Vanaf Vanaf
Vandaag Vandaag
Vrijdag Vrijdag
Woensdag Woensdag
Zaterdag Zaterdag
Zondag Zondag

Bijlage 2: Werkwoordsvervoegingstabellen voor deze les

Beginnen beginnen

Onvoltooid tegenwoordige tijd (OTT)

Nederlands Nederlands
ik begin ik begin
jij begint jij begint
hij/zij/het begint hij/zij/het begint
wij beginnen wij beginnen
jullie beginnen jullie beginnen
zij beginnen zij beginnen

Oefeningen en voorbeeldzinnen

Eten eten

Onvoltooid tegenwoordige tijd (OTT)

Nederlands Nederlands
ik eet ik eet
jij eet jij eet
hij/zij/het eet hij/zij/het eet
wij eten wij eten
jullie eten jullie eten
zij eten zij eten

Oefeningen en voorbeeldzinnen

Maken maken

Onvoltooid tegenwoordige tijd (OTT)

Nederlands Nederlands
ik maak ik maak
jij maakt jij maakt
hij/zij/het maakt hij/zij/het maakt
wij maken wij maken
jullie maken jullie maken
zij maken zij maken

Oefeningen en voorbeeldzinnen

Zie je geen vooruitgang als je alleen studeert? Bestudeer dit materiaal met een gecertificeerde docent!

Wil je vandaag Nederlands oefenen? Dat kan! Neem vandaag nog contact op met een van onze docenten.

Schrijf je nu in!

Deze lessen zouden niet mogelijk zijn zonder onze geweldige partners🙏